De Nederlandse maakindustrie wil verduurzamen en elektrificeren, maar wordt steeds vaker afgeremd door een overvol elektriciteitsnet. Uit het nieuwe ABN AMRO-rapport Netcongestie: Op zoek naar de grens blijkt dat inmiddels zo’n 14.000 bedrijven wachten op een nieuwe of zwaardere stroomaansluiting. Vooral industriële bedrijventerreinen zitten op slot. Investeringen worden uitgesteld, uitbreidingen geschrapt en verduurzamingsplannen bevroren. Wat jarenlang een technisch knelpunt leek, is volgens de bank uitgegroeid tot een structureel economisch probleem. “Het weigeren van aansluitingen is geen uitzondering meer, maar de norm,” stelt ABN AMRO vast.
Juist de maakindustrie wordt hard geraakt. Bedrijven stappen massaal over op elektrische ovens, warmtepompen, CNC-machines en geautomatiseerde productielijnen. Die elektrificatie is noodzakelijk om klimaatdoelen te halen, maar vraagt fors meer vermogen – vaak precies op momenten dat het net al maximaal belast is.
Daar komt bij dat productieprocessen grilliger zijn geworden. Pieken ontstaan door poedercoatinstallaties, koelinstallaties of het gelijktijdig laden van elektrisch materieel. Regionale netten, vooral op oudere bedrijventerreinen, zijn daar niet op berekend.
Opvallend is dat het totale Nederlandse stroomverbruik al jaren rond de 120 terawattuur schommelt. Het probleem zit dus niet in de hoeveelheid stroom, maar in de verdeling ervan: waar, wanneer en door wie die wordt gebruikt.
Papieren probleem
Volgens ABN AMRO bestaat netcongestie niet alleen uit volle kabels en transformatoren. Een groot deel is administratief van aard. In het verleden is capaciteit ruimhartig gecontracteerd door bedrijven die die ruimte nooit volledig benutten. Toch houden zij die vast, uit angst later geen groei meer te kunnen realiseren.
Voor bedrijven die nú willen uitbreiden, pakt dat slecht uit. Zij lopen vast in wachtrijen, terwijl er lokaal soms wel degelijk ongebruikte ruimte op het net aanwezig is. De nieuwe Energiewet geeft netbeheerders meer mogelijkheden om die capaciteit terug te halen of flexibel te verdelen, maar in de praktijk verloopt dat traag en complex.
Vestigingsfactor
Voor maakbedrijven verandert energie daarmee van een randvoorwaarde in een strategische vestigingsfactor. De beschikbaarheid van netcapaciteit weegt inmiddels net zo zwaar als ruimte, personeel of bereikbaarheid.
Dat raakt ook investeringsbeslissingen. Nieuwe machines worden niet meer alleen geselecteerd op precisie of productiviteit, maar ook op piekbelasting. Sommige bedrijven passen hun productieplanning aan om binnen bestaande contracten te blijven. Anderen zien zich genoodzaakt groei uit te stellen of naar alternatieve locaties te kijken.
Een belangrijk deel van de oplossingen ligt volgens ABN AMRO niet bij individuele bedrijven, maar bij collectieve aanpakken op bedrijventerreinen. Energiehubs, waarbij meerdere bedrijven gezamenlijk hun stroomgebruik afstemmen en één contract afsluiten met de netbeheerder, kunnen snel ruimte opleveren.
In theorie is het een logische oplossing. In de praktijk blijkt samenwerking weerbarstig. Bedrijven verschillen in productieprofiel, belangen en investeringshorizon. Zonder duidelijke regie komt een energiehub zelden van de grond.
Daarom wijst ABN AMRO op het belang van zogeheten stroomkoppelaars: onafhankelijke kwartiermakers die bedrijven, netbeheerders en overheden bij elkaar brengen. Op bedrijventerreinen waar zo’n regisseur actief is, lukt het vaker om vastgelopen dossiers los te trekken.
Batterijen als noodoplossing
Omdat structurele netuitbreiding jaren duurt, zoeken maakbedrijven naar oplossingen binnen de eigen poort. Batterijsystemen winnen snel terrein. Ze worden ingezet om pieken af te vlakken, eigen zonnestroom op te slaan of productie door te laten draaien binnen een beperkt contract.
Volgens ABN AMRO is die ontwikkeling begrijpelijk, maar ook symptomatisch. Batterijen zijn geen structurele oplossing voor een tekort aan infrastructuur, maar vooral een manier om tijd te kopen. Bovendien zijn ze kapitaalintensief en niet voor elk productieproces geschikt.
De echte oplossing – uitbreiding van het elektriciteitsnet – laat nog jaren op zich wachten. Nieuwe onderstations en hoogspanningsverbindingen kennen doorlooptijden van tien jaar of meer, mede door vergunningstrajecten, bezwaarprocedures en een tekort aan technisch personeel. In regio’s als Utrecht, Flevoland en Gelderland is de situatie inmiddels nijpend. Bedrijventerreinen zitten volledig op slot, terwijl woningbouw en industrie met elkaar concurreren om schaarse capaciteit.

